Norrbottenspets

(Norrbottenspets)

Groep 5
: Spitsen en Oertypes

FCI: 276

Sectie:2


Land van Herkomst: Zweden 

Korte geschiedenis:

De Norrbottenspets is nauw verwant aan de Finse Spits en mogelijk zelfs aan de Noorse Buhund. Al sinds mensenheugenis leeft deze hond in de provincie Norrbotten in het noorden van Zweden. Hij heeft een speciale jachtblaf en wordt gebruikt als vogelhond. In 1948 werd hij echter uit het register van de Zweedse Kennel Club geschrapt omdat men meende dat hij was uitgestorven. Er waren echter nog enkele exemplaren in leven en in de jaren zestig werden de reconstructiewerkzaamheden op gang gebracht, wat tot gevolg had dat het ras in 1967 weer werd erkend. De nieuwe naam werd Norrbottenspets. Het ras is nu gestabiliseerd, maar komt buiten de grenzen van Scandinavië weinig voor.

Gebruik:
Jachthond die veerwild opspoort, opstoot en door op strategische momenten te blaffen de aandacht ervan gevangen houdt, zodat de jager zijn werk kan doen. Werd ook ingezet als waakhond en bij het vee.

Aard:

Zelfstandig, levendig en energiek, monter en zelfbewust. Waaks en gereserveerd ten opzichte van vreemden, niet agressief

Samenvatting van de rasbeschrijving:

De Norrbottenspets moet een kleine, bijna vierkante, stijve en droge spitshond zijn. Hij is wakker, levendig, vriendelijk, zelfbewust en duidelijk beweeglijk. Hoofd: krachtig, droog, van voren en van opzij gezien de vorm hebbend van een stompe wig. De voorsnuit moet half zo lang zijn als het hoofd of iets korter. Vrij brede schedel, matig uitgesproken stop, licht gewelfd voorhoofd, vrij vlak schedeldak. Uitgesproken jukbogen, vlakke neusrug. De neusspeigel moet zwart zijn, droge lippen. Ogen: amandelvormig, iets opzij gericht, middelgroot, donkerbruin, levendige uitdrukking. Oren: hoog aangezet, iets groter dan gemiddeld, rechtopstaand, afgeronde punten. Hals: vrij lang, droog, gespierd, licht gewelfde nek, goed opgericht. Lichaam: de rug kort, sterk, bespierd en licht hellend boven de schoft, daarna horizontaal. Korte, brede lendenpartij, lange en brede croupe, goed bespierd. Diepe en verhoudingsgewijs lange borstkas, goed ontwikkelde achterste ribben, van voren gezien ovaal. Uitgesproken voorborst. Licht opgetrokken buiklijn. Ledematen: normaal gehoekte schouder en opperarm, rechte onderarm, goede botten, licht verende voormiddenvoet. Lange, brede, licht hellende croupe, normale hoeking van de achterbenen, goed bespierd en evenwijdig. Voeten: klein, krachtig, naar voren gericht. Goed gewelfd en gesloten, krachtige voetzolen. Staart: vrij hoog aangezet, wordt in een los gekrulde boog gedragen, waarbij de punt van de staart langs de dijbenen valt. Gangwerk: gelijkmatig, vloeiend, wijd uitgrijpend en evenwijdig. Vacht: fijne, dichte ondervacht en vrij harde, rechte, korte en vrij dicht aanliggende dekharen, waarvan de lengte op verschillende plaatsen op het lichaam wisselt. Het kortst op de neusrug, het schedeldak, de oren en de voorzijde van de benen. Kleur: alle kleuren zijn toegestaan. De ideale kleur is wit met gele of roodbruine aftekening. Schofhoogte: reu 44 cm, teef 41 cm.

Gezondheid: geen bijzondere gezondheidsproblemen bekend. In Nederland zeer zeldzaam 

Voor de officiële rasstandaard in het Engels: zie www.fci.be
Norbottenspets
Norbottenspets
Norbottenspets