Jämthund

(Jämthund) Jamthund

Groep 5: Spitsen en Oertypes

FCI: 42 
Sectie: 2

Land van Herkomst: Zweden

Korte geschiedenis:
De Jämthund is een van de grote spitshonden uit de noordelijke naaldbossen. Het ras is even oud als de kolonisatie door jagers van het noorden van Zweden. Het heeft lang geduurd voordat de Jämthund een eigen rasbeschrijving kreeg, vooral omdat de Gråhund en de Jämthund lang als hetzelfde ras werden beschouwd. Pas in 1946 werden ze als twee aparte rassen gezien. De Jämthund wordt vrijwel uitsluitend voor de elandenjacht gebruikt, ook al werd hij - met name vroeger - ook gebruikt voor de jacht op beren, lynxen en bosvogels. Het is een bijzonder goede elandhond. Hij komt voornamelijk voor in Zweden en Noorwegen en is sporadisch vertegenwoordigd in andere landen.

Gebruik:
Werkt los een wildspoor uit en geeft door blaffen aan de jager aan waar hij het wild heeft gesteld.

Aard: Moedig en energiek, maar ook stoïcijns.

Samenvatting van de rasbeschrijving:
Jamthund
De Jämthund is een grote, rechthoekige spitshond, droog, krachtig, gedrongen, soepel en goed opgericht. Hij is moedig en beweeglijk en heeft een goed uithoudingsvermogen. Hoofd: langgerekt, vrij breed tussen de oren, droog, de schedel enigszins gewelfd, matig uitgesproken stop, vlakke wangen. De voorsnuit moet krachtig zijn. De afstand tussen de punt van de neus en de stop moet iets korter zijn dan de afstand van de stop tot de achterhoofdsknobbel. Rechte neusrug, droge lippen, zwarte neusspiegel. Gebit: schaargebit. Ogen: bruin, enigszins ovale oogopeningen, rustige blik. Oren: hoog aangezet, stijf rechtopstaand, spits, beweeglijk. Hals: lang, krachtig, droog. Lichaam: krachtig, droog, enigszins rechthoekig. Rechte rug, iets hellend van de schoft naar de croupe. Brede lendenpartij, brede croupe. Diepe, goed gewelfde borstkas, licht opgetrokken buiklijn. Ledematen: goede botten, droge en rechte voorbenen, lange, goed naar achteren liggende schouders, duidelijke hoeking van de achterbenen, evenwijdig. Voeten: krachtig, iets ovaal, naar voren gericht, goed gesloten tenen. Gangwerk: krachtig, vrij, goede lengte van de passen. Staart: hoog aangezet, gematigd lang, gelijkmatig dik, in een krul boven of naast de rug gedragen. Vacht: korte, zachte, lichte (bij voorkeur roomkleurige) ondervacht met vrij dicht aanliggende dekharen. Op het hoofd, de voorzijde van de benen kort en glad haar, langer op de borst, hals, staart, achterzijde van de voorbenen en dijbenen. Kleur: donker- of lichtgrijs. Kenmerkend zijn lichtgrijze of roomkleurige partijen op de neus, wangen, keel, buik, benen en onderzijde van de staart. Schofhoogte: reu 61 cm, teef 56 cm. Een afwijking van ± 4 cm is toegestaan.

Gezondheid: In Nederland zeer kleine polulatie waarin geen bijzondere gezondheidsproblemen bekend. In Scandinavië meerdere gezondheidsproblemen bekend.

Voor de officiële rasstandaard in het Engels: zie www.fci.be