Groenlandhond

(Grønlandshund)groenlandhond

Groep 5: Spitsen en Oertypes

FCI: 274

Sectie 1:

Land van Herkomst: Scandinavië

Korte geschiedenis:
De Groenland Hond behoort tot de polaire spitshondenrassen. De Engelse naam - Eskimo Dog - is eigenlijk een juistere benaming omdat er bij alle Eskimovolken uit het gebied tussen Groenland in het westen en de Mackenzierivier in het oosten verschillende soorten Groenland Honden voorkomen. De hond wordt uitsluitend gebruikt als trekhond en 's winters krijgt hij precies zoveel te eten als hij nodig heeft om te kunnen werken en overleven. Onder natuurlijke omstandigheden moet hij 's zomers voor zichzelf zorgen. Door dit harde leven kunnen alleen de sterkste en levenskrachtigste dieren overleven en zich vermeerderen. De veredeling tot de hond die wij nu als Groenland Hond kennen, heeft hoofdzakelijk in Noorwegen en de Verenigde Staten plaatsgevonden. De Groenland Hond is een zeer zelfstandige hond, robuust en vitaal. Door de veredeling is het ras echter socialer geworden, waardoor het aan de eisen van de moderne maatschappij is aangepast.

Gebruik:
Bij de Inuit in gebruik als sledehond en jachthond. In ons leefklimaat, als huishond wat minder op zijn plaats.
Sledehond voor het Arctische gebied, geselecteerd puur op gezondheid, kracht en inzetbaarheid voor de slee en voor de jacht op robben, ijsbeer, kariboe en muskus-os

Aard:
Pure werkhond met veel moed, geestelijke hardheid en energie. Hecht zich niet bijzonder aan de mens, maar is gedwee en vriendelijk en gaat met iedereen gemakkelijk om. Totaal niet waaks.

Samenvatting van de rasbeschrijving:
De Groenland Hond is een zeer krachtige, polaire spitshond, met veel uithoudingsvermogen en ingesteld op hard werken onder Arctische omstandigheden. Hoofd: licht gewelfde schedel, breed tussen de oren, duidelijke maar niet overdreven stop. Snuit van gematigde lengte, rechte neusrug, droge lippen. Ogen: bijvoorkeur donker, maar mogen harmoniëren met de vacht. Kleine, iets schuin geplaatste oogopeningen. Oren: vrij klein, driehoekig, afgeronde punten, stijf en rechtopstaand, beweeglijk. Gebit: schaargebit. Lichaam: krachtig en gedrongen, enigszins rechthoekig. Rechte rug, brede lendenen, enigszins hellende croupe. Diepe borstkas, breed, met goed gewelfde ribben. Licht opgetrokken buiklijn. Ledematen: rechte, evenwijdige voor- en achterbenen. Sterke botten, gespierde benen, achterbenen zwak maar duidelijk gehoekt, sterke sprongen. Voeten: groot, sterk, goed gesloten, afgerond, goed gewelfd en met sterke nagels en sterke voetzolen. Staart: hoog aangezet, dik en borstelig, vrij kort, wordt gebogen of gekruld over de rug gedragen. Vacht: zachte, dikke ondervacht, grove, rechte en vrij lange dekharen. Op het hoofd en de benen kort en glanzend haar. Op de buitenkant van de oren moet het haar kort zijn, op de binnenkant zeer dicht. Dicht haar tussen de tenen, borstelige, goed behaarde staart. Kleur: alle kleuren en kleurencombinaties (behalve albino) zijn toegestaan. Gangwerk: effectief, in evenwicht, vol kracht, evenwijdig. Schofthoogte: reu minstens 60 cm, teef minstens 55 cm. Gewicht: ongeveer 30 kilo

Gezondheid: Kerngezond ras, want alleen de allersterksten kunnen in poolcondities, met minimaal voedsel, overleven en zich voortplanten. In Nederland zeer kleine populatie. 

Voor de officiële rasstandaard in het Engels: zie www.fci.be